Caja Cazemier leest voor aan kleindochter

Column door Caja Cazemier

‘Taal geeft een kind toegang tot de wereld, tot beleven en begrijpen, is instrument voor formuleren en fantaseren.’ Caja Cazemier vertelt in deze column over haar kleindochter die haar passie voor boeken al vroeg deelde.

Wat we lezen en niet lezen

‘Vanaf haar eerste verjaardag paste ik elke donderdag op op mijn kleindochter (nu 8). Wat een feest! We begonnen onze dag samen altijd met voorlezen, waar we allebei dol op zijn. Lekker knus tegen elkaar aan op de bank, en ze kon het heerlijk lang volhouden.

Mijn hart sprong op toen ze voor het eerst bij binnenkomst zei: “Oma boekje lezen?”

Op deze pagina

Wat we lezen en niet lezen

Overigens heb ik heel erg mijn best gedaan om van de formulering boekje lezen af te komen. Het zijn boeken, of dat nou met plaatjes, verhalen, gedichten of liedjes is. Toch moet ze dat ergens gehoord hebben… Maar dit terzijde.

Na de kartonnen boekjes volgden vele prentenboeken uit de bibliotheek. Onze favoriet kwam uit mijn eigen boekenkast: Het grote opa- en omaboek, bij haar geboorte gekregen van mijn uitgeverij (Ploegsma). Dat vond ze leuk, maar bij voorkeur steeds dat éne verhaal. De herkenbaarheid, de voorpret, de momenten dat oma er net iets anders van maakte: je zag haar genieten. Maar bij mij ontstond een lichte frustratie. Al die andere prachtige verhalen schreeuwden erom om ook gelezen te worden!

 

Toen ze eenmaal vier was, haalde ik haar ’s middags van school en was er minder tijd om te lezen. Ze ontdekte mijn boek met klassieke sprookjes, maar ze wilde alleen maar Hans en Grietje, Sneeuwwitje en De prinses op de erwt voorgelezen krijgen. Aan de andere sprookjes zijn we niet toegekomen. Mijn frustratie groeide…

Gelukkig logeert ze ook elke schoolvakantie een dagje bij ons, en dan is er meer tijd. En er staan veel boeken in mijn boekenkast, oude (Otje, De bende van de Korenwolf: grrr die wil ze steeds maar niet) en nieuwe (de Kolletje-boeken, Spekkie en Sproet; ja, die wil ze wel). En ook als ik haar naar bed breng en we samen knus onder het dekbed van het logeerbed zitten om te lezen, pakte ze tot voor kort elke keer weer hetzelfde prentenboek: Zzz van Loes Riphagen over papa en zijn dromen en nachtmerries. Een boek zonder tekst, we kijken naar de tekeningen, wijzen aan wie we zouden willen zijn of vertellen elkaar wat we zien of zouden willen meemaken. Daarna kan ze rustig gaan slapen.

Soms gaat ze wel mee in mijn boekenkeus. Toen ze op school voor het eerst over de Tweede Wereldoorlog hoorde, las ik Groeten van Leo. Een kampkind in Westerbork voor van Martine Letterie. Ze was onder de indruk en we praatten er uitgebreid over.

Sinds ze zelf kan lezen, zijn de toneelleesboeken van uitgeverij Zwijsen dé ontdekking (bijvoorbeeld De honing en de honingin van Manon Sikkel). Ze bestaan voor een groot gedeelte uit dialogen die je samen hardop leest. Met overgave roept of fluistert mijn kleindochter en doet ze woede of een huilbui na. Je hebt ze op alle niveaus en oefenen voor school is met deze boeken geen enkel probleem.

 

Taal geeft een kind toegang tot de wereld, tot beleven en begrijpen, is instrument voor formuleren en fantaseren. Ja jammer, aan heel veel boeken komen we gewoon niet toe. Ik troost mezelf met de gedachte dat haar ouders ook nog regelmatig voorlezen en dat ze nu ze acht is, steeds meer zelf gaat lezen. En als ze de volgende vakantie weer komt logeren: dan lees ik haar natuurlijk weer gezellig voor!