Vind voor elk kind het perfecte boek

Home > Artikelen > De zon schijnt altijd in de kinderboekwinkel

De zon schijnt altijd in de kinderboekwinkel

Fleur Meijer is journalist, columnist én groot fan van kinderboekwinkels. En laten we eerlijk zijn, we hebben toch allemaal wel eens bezoekje aan de kinderboekwinkel nodig?

“Een opbeurend belletje, een zee van warm licht, de troostende geur van prentenboeken. Ook de kinderboekenwinkelmevrouw straalde gul toen ze me begroette. Hier scheen de zon, zoveel was zeker.”

Columniste Fleur Meijer over 'haar' kinderboekwinkel

De troostende geur van prentenboeken

Ik was al niet al te best gestemd, dus welja, daar kon ook nog wel een grauwgrommend, lekkend zwerk bij. Ik hief mijn vuist ter hemel, liet me uitgebreid vervloeken door de dienstdoende opperwezens en begon te snelwandelen. Nee, dit zou niet meer goedkomen. Niet vandaag. Dat plotseling de kinderboekenwinkel opdoemde en ik tóch nog een cadeau moest hebben voor een versgeboren baby, nou ja: een praktisch toeval. Meer niet. En ja, het leesniveau van verse baby’s meestal ondermaats, dat weet ik. Maar als de baby later een beetje schrander is geworden, zal hij me nog eens dankbaar zijn dat ik niet met het zoveelste eiig kijkende knuffeluiltje kwam aanzetten.

Ik ging naar binnen. Een opbeurend belletje, een zee van warm licht, de troostende geur van prentenboeken. Ook de kinderboekenwinkelmevrouw straalde gul toen ze me begroette. Hier scheen de zon, zoveel was zeker. Opgelucht gleden mijn ogen over de stapels. Hé. Dikkie Dik! Hij was er nog, die goeie ouwe kater. Met een noodgang werd ik alweer het verleden in gekatapulteerd. Toen ik nog met goed fatsoen op schoot kon zitten. Hoe ik op die schoot werelden aan eiig kijkende uiltjes, luie prinsesjes en truttige konijntjes aan me voorbij zag trekken. Zo vaak dat voorlezen niet eens meer nodig was: ik kende ze allemaal uit mijn hoofd. Of ik verzon ze zelf. De Kalimantjes, hoe zagen ze er ook alweer uit? Blauw, met een oranje kuif en snorharen, en ze woonden, zoals alle wezens destijds, in het grote, donkere bos. Mijn vader kende nog een bosvolk, de Arienaries. Ik zag ze altijd en overal wegschieten. En anders hoorde ik ze wel aan hun lange oren die over de grond sleepten. Misschien moest ik de Arienaries maar weer eens tot leven wekken en de verhalen van mijn vader opschrijven. Al was het maar omdat hij dan zelf voor altijd ietsje minder dood zou zijn.

Nee, niet aan denken nu. Ik kwam hier voor léuke dingen. ‘Kun je het vinden?’, vroeg de kinderboekenwinkelmevrouw vanachter de toonbank. ‘Ja hoor!’, riep ik met overslaande stem. Vanuit mijn ooghoek zag ik mijn redding liggen. De Griezels! Roald Dahl! Ik begon verwoed te bladeren. Die eerste zin alleen al: ‘Wat lopen er tegenwoordig toch veel mannen rond met haar op hun gezicht.’ Wat u zegt meneer Dahl, wat u zegt. En ook de rest herkende ik nog. De baard van meneer Griezel, met de eeuwige stukjes kaas en sardientjes die er  in bleven kleven, waardoor meneer Griezel ‘nooit echt honger hoefde te lijden’. Mevrouw Griezel met haar glazen oog, haar ‘rottige plannetjes’ en o ja, verdomd: de Reuzenkribbenbijter in haar bed. En hoe kón ik het vergeten: het ondersteboven-apencircus! Wat een jaloersmakende vondst. Zoals alles aan de kinderboekenwereld eigenlijk jaloersmakend is. Op dagen als deze zou ik nergens liever willen wonen. ‘Nog steeds leuk hè’, riep de kinderboekenwinkelmevrouw me terug naar het hier en nu. Ik was ongemerkt al bijna op de helft van het boek.

‘Sorry’, zei ik, en ik legde De Griezels op de toonbank. ‘Ik neem deze alvast. En dan kijk nog even verder, goed? Ik ben nog niet klaar.’

‘Natuurlijk. Neem alle tijd die je wil. Is dit een cadeautje?’

Ik schudde mijn hoofd.

Deze column is eerder verschenen in V!VA en met toestemming van de schrijfster geplaatst.